Jaguar E-type: Portrait of a Design Icon - WANNAHAVE
Verberg foto
Bijgewerkt: 22-January-2019 10:13

Jaguar E-type: Portrait of a Design Icon - WANNAHAVE

In april 2007 verscheen bij de bekende Britse uitgeverij Haines Publishing een opmerkelijk boek onder de titel “Jaguar E-type, Portrait of a design icon”, geschreven door Glen Smale. Dit boek lijkt overbodig na de reeks boeken waarin de lof over dit beroemde sportwagenmodel is gezongen. Het thema van dit boek is echter uniek in de zin, dat door de auteur uitputtend is onderzocht wat de mensen die betrokken waren bij het ontstaan van dit legendarische model, terugblikkend op die tijd rond de introductie in Genève in maart 1961, te vertellen hadden. Die verhalen in dit boek zijn grotendeels nieuw. Bovendien gaat dit boek diep in op het klimaat waarin gedreven ontwerpers toen en nu hun creaties realiseren.

Het gaat hier om sportwagens die na de aanzienlijke ontwerp- en ontwikkelingskosten in voldoende hoeveelheid verkocht moeten worden om voor een autofabrikant interessant te zijn. In Het Automobiel blikken we meestal terug op de geschiedenis van een model aan de hand van eigenaren en kenners van dit model. Glen Smale heeft het niet over de plaats die de verschillende Jaguar sportmodellen innemen in de oldtimerwereld, maar over de rol die de Jaguar E-type heeft gespeeld bij de ontwikkeling van nieuwe sportwagens daarna. Zoals de titel van het boek al aangeeft, is de E-type een icoon gebleken te zijn, waarmee andere nieuwe sportwagenmodellen daarna werden vergeleken.

Het boek beschrijft de voorgeschiedenis van Jaguar sportwagens vanaf de SS Jaguar van voor de Tweede Wereldoorlog, maar vooral de XK120 die in 1948 een soortgelijke sensatie veroorzaakte als de E-type in 1961. Daarbij was die XK120 alleen maar een min of meer geïmproviseerd showmodel rond de XK zescilindermotor die voor Jaguar het echte nieuws was. Die motor was bestemd voor de Mark VII saloon, maar die was nog niet klaar voor de London Motor Show van 1948. William Lyons zorgde er wel voor dat het uiterlijk van dit showmodel paste in het smaakvolle kader van een Jaguar. Er was wel een plan gemaakt om er 250 stuks van te maken, van aluminium, dat was productietechnisch eenvoudiger. De sensatie die de XK120 teweeg bracht, veroorzaakte een voortdurend verhogen van dit aantal. Uiteindelijk zijn er in de twaalf volgende jaren, inclusief de XK140 en XK150 30.504 van gemaakt, gemiddeld 2.542 per productiejaar.

Sir William Lyons had weinig geld voor grootscheepse reclame, dus mikte hij op spectaculair nieuws op autotentoonstellingen en de publiciteit als gevolg van deelname aan races. Omdat in die tijd 80% naar het buitenland ging en daarvan het overgrote deel naar Amerika, mikte hij op de 24-uurs race van Le Mans, omdat het enige Europese evenement was, dat in Amerika enige bekendheid genoot. De XK120 was daar niet voor geschikt, dus huurde hij de diensten in van Malcolm Sayer die bij Bristol alles wist over aerodynamica. Hij was verantwoordelijk voor het ontwerp van de Jaguar C-type, C van competition. De werkwijze van Malcolm Sayer stond diametraal tegenover de ontwerpkunst van William Lyons. Sayer was mathematicus en kon exacte instructies geven. Lyons liet plaatwerkers een auto bouwen volgens zijn gesproken aanwijzingen en die moesten dan in een groot aantal sessies daaraan wijzigingen en aanvullingen aanbrengen nadat Lyons de verschillende stadia had gezien. Hij heeft daarvoor nooit een potlood op papier gezet en zijn wil was wet. In het begin had Lyons emotioneel problemen met het rationeel scheppende vermogen van Malcolm Sayer, maar gaf hem uiteindelijk de vrije hand, voor het eerst in de geschiedenis van de onderneming.

De C-type werd opgevolgd door de D-type en het was in de vijftiger jaren duidelijk dat het concept van de XK120-140-150 in autotechniek duidelijk achter ging lopen. Glen Smale beschrijft in detail hoe uit de serie C- en D-type tenslotte de E-type werd ontwikkeld. Hoewel William Lyons hier en daar wel enige details heeft aangewezen is de E-type de schepping van Malcolm Sayer. Ook alle modellen sportwagens die tot zijn onverwachte overlijden in 1970, pas 54 jaar oud, zijn onder zijn leiding ontworpen. Het boek wijdt daar over uit, inclusief de Series 2 en 3. Van 1961 tot 1972 zijn 72.529 wagens geproduceerd, 5.180 gemiddeld per productiejaar.

Ook alle sportwagens die tot op de huidige dag door Jaguar zijn uitgebracht, passeren in het boek de revue, zoals de XJ-S, XK8 en de nieuwste XK. De XJ-S werd 21 jaar lang verkocht, 115.330 in totaal, 5.491 per jaar gemiddeld. Daar zit dus telkens progressie in. Van de XK8 verlieten in de periode 1996 tot en met 2005 90.616 wagens de fabriek, 10.068 gemiddeld per jaar. Het overlijden van Sir William Lyons op 8 februari 1985 was het einde van een tijdperk voor Jaguar, evenals de overname door Ford in 2000. Het veelbelovende kleinere F-type concept, een creatie van de originele ontwerper Keith Helfet viel ten offer aan modificaties door Ford-technici. Een van de andere mijlpalen was de Jaguar XK220 supersportwagen uit 1988, waarover het boek ook alles uit de doeken doet.

Het is vanzelfsprekend ondoenlijk om hier alle wetenswaardigheden op te sommen, maar zelfs voor liefhebbers die al een halve meter Jaguarboeken hebben staan, is dit een belangrijke aanwinst. Het boek heeft een kloek formaat en telt vele prachtige foto’s die de tekst doelmatig ondersteunen.
Glen Smale is opgegroeid in Zuid-Afrika en was tijdens zijn studie aan de Rhodes University de enige student met een Jaguar, zelfs twee, waaraan tijdens vakantie intensief gesleuteld werd. Hij schreef ook een boek over Porsche, The Carrera Dynasty (ook bij Haynes) en publiceerde een interessante geschiedenis van Renault in de autosport in het online tijdschrift Vehicle-engineer.com, verlucht met prachtige foto’s, door hemzelf genomen. Via zijn onderneming Automotive Research voert hij allerlei professionele marktonderzoeken uit. Geen doorsnee amateur dus.

Pim van der Veer

 

Klik hier om in het boek te kijken

Klik hier om dit fraaie boek te kopen

Marc Vorgers
Marc vorgers.png
Marc Vorgers
Fotoreportage